Vanwaar komt mijn hulp?
Vorige week zou ik – na lange tijd – eindelijk weer op reis gaan om te wandelen in de bergen.
Wat had ik mij daarop verheugd. De treinreis naar Lienz in Oostenrijk bleek echter een
beproeving. Door vertraging misten we elke aansluiting en moesten we in alle stress opnieuw
boeken. Vanaf twaalf uur konden mijn vriendin en ik nergens iets eten of drinken kopen. Om
21.30 uur kwamen we uitgeput aan.
De volgende ochtend werd ik wakker met stekende pijn in mijn onderbuik. En de ochtenden
daarna ook. (Ja, ik weet het: de darmen zijn soms het afvalputje van onze emoties). Zondag
bleef ik achter in het hotel; ik dacht dat rust mij goed zou doen. Wel maakte ik een prachtige
viering mee in het kerkje van Anras, waar jonge communicantjes aan de gemeente werden
voorgesteld. Kinderen zongen, het thema was: “Jullie zijn mijn vrienden.” Ontroerend
eenvoudig.
Maandag en dinsdag liep ik toch – zo’n 20.000 stappen per dag. Ook toen begonnen de dagen
met hevige pijnscheuten. Dinsdag ging ik alleen, in mijn eigen tempo, de hoge Dolomieten in.
Wat een overweldigende schoonheid. Zo ruig, zo indrukwekkend, zo standvastig. En daar
klonk het in mij: Ik hef mijn ogen op naar de bergen – vanwaar komt mijn hulp? Mijn hulp
komt niet van de bergen, maar van God, zo groot en rotsvast als zij. Ik voelde mij gedragen.
Stap voor stap trok de pijn weg.

Maar in de nacht van woensdag op donderdag bracht een ambulance mij naar het ziekenhuis.
Daar lag ik naast een jonge vrouw die ernstig ziek was. Vanuit het raam zag ik opnieuw de
bergen. En ik dacht: dit lijkt psalm 121 wel. Waar komt hulp vandaan? De jonge vrouw was
misselijk en verdrietig. Ik dacht: wat als dit mijn dochter was? Ik kon haar alleen wat water
geven, een koel washandje aanreiken, even mijn arm om haar heen slaan. Meer niet.
Onderzoek wees uit dat ik gezond ben. De hevige ochtendpijn bleek te komen door obstipatie
– soms is het antwoord minder verheven dan waar je bang voor bent. Toen ik terug mocht
naar het hotel zei de jonge vrouw: “Wat ben je aardig. Zulke mensen zijn er niet veel. Wat fijn
dat je bij mij was.”
En ik dacht: meer kon ik niet doen. Maar blijkbaar was ik – precies op het juiste moment – op
de juiste plaats om even hulp te zijn. Soms komt hulp van hogerhand… en soms via heel
gewone handen.



