Overmoed
Wie terugkijkt in het verleden, kan zich soms verbazen. Waarom riep een bepaalde gedachte
zoveel weerstand op? De kerkgeschiedenis zit vol met dit soort verbazing oproepende
momenten. Vaak is de ketterij van gisteren de orthodoxie van morgen. Omgekeerd gebeurt
trouwens ook. Tal van in hun tijd gezaghebbende kerkelijke leraren zijn door latere concilies
en synoden als ketter veroordeeld. Het is een waarschuwing voor iedereen die denkt dat zijn
geloofsopvattingen de juiste zijn. Elke generatie heeft zijn eigen geloof. Ook voor de
verdedigers van de geloofsopvattingen van de vorige generatie geldt: ‘Hun liefde en hun haat,
alle hartstocht die ze ooit hebben gehad, ging allang verloren. Ze nemen nooit meer deel aan
alles wat gebeurt onder de zon’ (Prediker 9:6).
Deze maand is het honderd jaar geleden dat de buitengewone Generale Synode van de
Gereformeerde kerken in Assen besloot dat het spreken van de slang in Genesis 3:1-5 een
‘zintuiglijk waarneembare realiteit’ is geweest. De aanleiding was een preek van ds. Jan
Geelkerken (1879 – 1960) uit 1924 waarin deze had ontkend dat het hier in Genesis 3 om
werkelijke geschiedenis ging. Het gevolg van de uitspraak van de synode was een
kerkscheuring. Jan Geelkerken en de zijnen gingen verder in een nieuw kerkverband: de
Gereformeerde kerken in hersteld verband. Veertig jaar later werd de synode uitspraak door
de Gereformeerde kerken herroepen.
In tal van publicaties wordt deze maand stilgestaan bij deze historische vergissing. Al in 1926
oogstte de uitspraak van deze synode bij orthodox gereformeerden buiten dit kerkverband
weinig enthousiasme. Vele, juist zich orthodox noemende gereformeerden in de Hervormde
kerk en in de Christelijk Gereformeerde kerken waren het tot op zekere hoogte met
Geelkerken eens. En de latere Vrijgemaakten vonden dat de uitspraak inging tegen het
geldende kerkrecht.
Zoals vaak school achter de al te stellige uitspraak de knagende twijfel. In de tweede helft van
de negentiende eeuw was het traditionele kerkgeloof onder druk komen te staan. In
weldenkende kringen was het geloof in de schepping in zes dagen vervangen door gedachten
over een permanente evolutie van het leven. De Bijbel was een betrekkelijk recente
samenvatting van veel oudere mythen uit het oude Midden-Oosten. Wie waarheid wil vinden,
gaat niet te rade bij oude autoriteiten, maar volgt de moderne wetenschap van meten is weten.
In de kerken werd op dit nieuwe inzicht verschillend gereageerd. De modernen en later de
vrijzinnigen pasten hun geloof aan de nieuwe inzichten aan. De ethischen en de latere
midden-orthodoxen benadrukten het eigene van het geloof naast de wetenschap. Het wonder
van Gods liefde voor mensen laat zich niet wetenschappelijk meten. De waarheid van het
geloof is een andere dan de waarheid van de wetenschap, hoewel die twee waarheden elkaar
wel kunnen verrijken. Een deel van de gereformeerden ging in zoverre met de ethischen mee
dat bij hen Gods waarheid betrekking heeft op de menselijke beleving. Waar is dat wat God
mij heeft doen ondervinden. Maar er waren ook gereformeerden die de frontale aanval met de
moderne wetenschap aangingen. Zij waren het eens met de modernen en vrijzinnigen dat de
waarheid één is. Maar waar de vrijzinnigen kozen voor de moderne wetenschap, kozen deze
gereformeerden – die zich vooral binnen de Gereformeerde kerken bevonden – anders.
Uiteindelijk zou – volgens hen – de wetenschap de waarheid van het overgeleverde geloof
bewijzen. Want de Bijbel had toch gelijk.
Aanvankelijk leek een eigen gereformeerde wetenschap het traditionele geloof te kunnen
redden. Maar dat optimisme duurde niet lang. Zelfs de eigen gereformeerde filosofie van de
‘wijsbegeerte der wetsidee’ wilde geen rijpe vrucht aan de academische boom van kennis
worden. Een geloof dat in waarheid wilde concurreren met de wetenschap, bleek ten dode
opgeschreven. Zo werd de waarheid van 1926 een menselijke dwaasheid.
Het geloof is als een pelgrimage. Wij reizen en proberen woorden te vinden voor Gods liefde
voor mensen. ‘Nu zien we nog maar een afspiegeling, een raadselachtig beeld, maar straks
staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals
ik zelf gekend ben’ (1 Korintiërs 13:12).
Wim de Ruyter



